Misha Mengelberg

Mengelberg, Nichols en Monk: vormen van humor
 
HERMAN TE LOO, 2004
 
Het muzikale universum van Misha Mengelberg wordt door heel veel elementen bepaald, maar een grote rol erin speelt de muziek van Thelonious Monk en Herbie Nichols. Hij heeft beider muziek geëerd en bewerkt in speciale projecten in de loop van de jaren ‘80 van de vorige eeuw. Reden genoeg om de componist/pianist aan het woord te laten over zijn Amerikaanse collega’s.
 
“Zo ergens rond 1982 besloot ik dat het tijd werd om de muziek van Herbie Nichols in een groter verband uit te voeren” vertelt Mengelberg.  
“Hij was toen twintig jaar dood, en ik had het idee dat hij tijdens zijn leven nooit de gelegenheid had gehad om zijn muziek anders uit te voeren dan met een trio. Je hoort echter aan de composities dat hij graag met blazers had gewerkt, of misschien zelf wel een big band.”

“Daarom hebben we eerst de plaat Regeneration gemaakt, met Roswell Rudd en Steve Lacy, en later hebben we het repertoire in een grotere bezetting met de ICP gespeeld (terug te vinden op de cassette Extension Red, White & Blue en de CD Two Programs -HtL).”
 
“Via mijn vriend Hans van Sweden (een in 1963 op 24-jarige leeftijd overleden Amsterdams dichter-componist -HtL) was ik in contact gekomen met de muziek van Herbie Nichols. Hij kwam in 1956 met de eerste Blue Note-plaat van Nichols aan. 
‘Dit lijkt me wel wat voor jou, Misha. Dit moet je horen,’ zei hij tegen me. Ik hoorde er meteen een verwantschap in met de muziek van Thelonious, die ik in die tijd heel goed aan het bestuderen was. Pas later, in de jaren ‘60, heb ik zelf een plaat van Nichols gekocht, tweedehands. Zo’n 25 centimeter plaatje, zo’n tussenmaat.”
 
Saaie en aardige muziek
 
“Ik vond de composities van Nichols moeilijker om te spelen dan die van Thelonious. Destijds was ik al een behoorlijke Thelonious-kloon geworden. Ik kon zijn muziek perfect spelen, haast nog meer Monk-achtig dan Thelonious zelf. Aan het conservatorium in Den Haag, waar ik studeerde, had ik voorgesteld om de muziek van Thelonious te analyseren.”
 
“Het leek me een veel zinvollere bezigheid dan het uitpluizen van een sonate van Mozart of Beethoven. Dat was immers al duizenden keren vóór mij gedaan. Bovendien maakte ik toen al geen onderscheid tussen jazz en andere muziek. Er bestaan voor mij twee soorten muziek: saaie en aardige. Kees van Baaren, de directeur van het conservatorium, zag er wel wat in, want hij vond de muziek van Monk ook wel boeiend. Al had hij wel wat moeite met diens pianospel,dat hij als ‘onbeholpen’ omschreef.” 
 
“Zelf had Van Baaren zich ooit wel eens gestort op de muziek van Fats Waller, al vond hij die harmonisch wat beperkt. In de stride-pianostijl van Waller zit de grondtoon altijd in de bas, vond Van Baaren. Daar had hij overigens geen gelijk in, want ik heb in zijn muziek ook echt wel eens een sext-akkoord gehoord. Van Baaren speelde de muziek van Waller zelf heel aardig, met veel interessantere akkoorden dan in het origineel. Alleen de swing ontbeerde hij danig in zijn uitvoering.”
 
“De muziek van Nichols vond Van Baaren ook ‘zeer interessant’. Hij hoorde er een verwantschap in met de swing-muziek, en dat is geen onterechte constatering. Nichols lijkt ergens een paar muziekperioden te hebben overgeslagen.” 
 
“Als je zijn composities met die van Thelonious vergelijkt, zie je overeenkomsten, maar ook duidelijke verschillen. De muziek van Nichols lijkt wat meer op bebop dan die van Monk, die er helemaal niets mee te maken had. Nichols werkt wel met veel interessantere akkoorden en muzikale vormen dan in de bebop gebruikelijk was. Als ik een parallel mag trekken met de beeldende kunst, zou je kunnen zeggen dat Thelonious in zijn muziek standbeelden maakt, terwijl Herbie Nichols veeleer dynamische objecten produceert.”
 
“Beiden getuigen ook van humor in hun muziek, maar ook daarbinnen verschillen ze weer. In de humor van Thelonious draait het vooral om situaties, die van Nichols heeft betrekking op ontmoetingen en confrontaties. Ik zal een voorbeeld geven van wat ik daarmee bedoel. Monks
Little Rootie Tootie is een stuk over treinen. Maar het probeert niet zozeer de cadans van een trein ritmisch te imiteren, zoals in zoveel treinstukken van andere componisten gebeurt.”
 
“Thelonious karakteriseert de trein met een enkel geluid, zoals hij dat vaker doet. Het geluid is dat van een stoomfluit, maar dan wel eentje die wat aftands en versleten is. Die dingen werken net als een mondharmonica met tongetjes om de klank te produceren. Maar na verloop van tijd breken er daar een paar van af, dus je krijgt een onvolledig geluid. In
Little Rootie Tootie weet hij dat precies te treffen, en dat vind ik bijzonder geestig.”
 
“Zoiets zul je bij Herbie Nichols niet zo snel aantreffen.
2300 Skiddoo, bijvoorbeeld, kent een heel ander soort humor. De titel slaat op iemand die heel veel praatjes heeft, een beetje een slijmbal. En in de brug van dat nummer hoor je hoe die persoon op z’n nummer wordt gezet (in de versie die op Regeneration te horen is, wordt deze interpretatie duidelijk door de trombonevegen die Rudd uitdeelt -HtL). Veel van de composities van Nichols werken op die manier. Het contrast in de brug speelt een belangrijke rol in zijn stukken.”
 
Nieuw ontdekte stukken
 
“Wat me ook aanspreekt, is de rol die binnen de composities is weggelegd voor de slagwerker. Er zijn heel interessante breaks, en van de drummer wordt bepaald meer verwacht dan alleen in vieren de maat slaan. Zelf vond Nichols Art Blakey de ideale drummer voor zijn muziek, maar hij speelde ook met Max Roach, en eerlijk gezegd vind ik dat wel zo aardig. Roach is een heel andere drummer dan Blakey, hij speelt veel melodieuzer. Je hoort hem vaak de prachtige thema’s die Nichols schreef op het slagwerk interpreteren.”
 
“Ik ben zelf zeker niet zo’n goede pianist als Nichols, maar ik heb inmiddels wel oplossingen gevonden om zijn muziek te kunnen spelen. Het gaat, zoals eigenlijk bijna altijd in de jazz, niet om de virtuositeit, maar om de klank. Ik ben blij dat er nu steeds meer belangstelling voor zijn muziek gaat komen. De trompettist Dave Douglas, met wie ik korte tijd een kwartet heb gehad (met bassist Brad Jones en drummer Han Bennink.-HtL), was ook een groot liefhebber van Nichols’ muziek.”
 
“En ik werd onlangs ook benaderd door een conservatorium-big band uit Rochester, in de buurt van New York. Ze wilden graag mijn arrangementen gebruiken die ik van een aantal Nichols-stukken heb gemaakt voor de ICP. Ik heb die mensen doorgestuurd naar muziekuitgeverij Donemus, waar ik die arrangementen ooit te vondeling had gelegd.”
 
“Ook komt er steeds meer niet uitgebrachte muziek van Herbie Nichols boven water. Roswell Rudd maakt zich daar sterk voor. Hij stuurde me onlangs een boek met een aantal nieuw ontdekte stukken, met het verzoek om commentaar. Ik heb er erg van genoten, en moet Roswell mijn bevindingen binnenkort doen toekomen.”
 
Aardige en vriendelijke jongeman
 
“Zelf heb ik Herbie Nichols nooit ontmoet, maar ik heb wel het een en ander over hem gehoord van Roswell Rudd en Steve Lacy, die min of meer bij hem hebben gestudeerd. Naast het eigen trio dat hij had, speelde hij in een soort Dixieland-orkestje, waarmee hij ook in Europa is geweest. Hij toerde door de Scandinavische landen, maar niet door Nederland (deze Dixieland-achtergrond, die hij met z’n discipelen Rudd en Lacy deelt, komt duidelijk naar voren in
Twelve Bars op Regeneration, waar Rudd met z’n tailgate-trombone vet over het two-beat ritme heen glijdt -HtL). “
 
“Nellie Monk vertelde me dat hij ‘een erg aardige en vriendelijke jongeman’ was.  Daarop zei ik dat hij toch ongeveer even oud was als Thelonious. ‘Ja, maar hij maakte zo’n jeugdige indruk,’ aldus Nellie. Thelonious beweerde overigens dat hij hem nooit persoonlijk had gekend, maar dat was pertinent niet waar.”
 
“De communicatie met Thelonious was trouwens bijzonder moeilijk. Ik heb hem een keer gesproken in de Amsterdamse jazzclub
Sheherezade, na afloop van een optreden in het Concertgebouw. Hij zat naast me, en mijn vrouw zat aan zijn andere zijde. Telkens als ik hem iets vroeg, gaf hij geen antwoord, maar stelde hij letterlijk dezelfde vraag aan mijn vrouw, die daar uiteraard geen antwoord op had. Slechts één keer doorbrak hij dat procédé, toen ik hem iets wilde vragen over zijn compositie Criss Cross, die ik pas had geanalyseerd. ‘Never heard of it,’ was zijn antwoord.”
 
“Pas toen ik het daarna in de pauze op de piano voor hem speelde, herinnerde hij zich het stuk. Een paar jaar later is hij het ook weer gaan spelen, onder meer bij een volgend bezoek aan Amsterdam. Alleen had hij de brug veranderd, die telde nu zes maten in plaats van de oorspronkelijke acht.”
 
Wie de composities en het pianospel van Mengelberg zelf hoort, hoort inderdaad de invloeden van zowel Monk als Nichols. Het is een fraai amalgaam, dat niet meer tot een van beiden te herleiden is. Van Monk heeft Mengelberg het hoekige, de kunst van het weglaten ook.
 
De situationele humor, zoals Mengelberg die bij Monk herkent, komt in zijn eigen werk duidelijk voor, maar ook de contrastrijke humor van Nichols vindt er een plek. Vaak in de vorm van het ironiseren van bepaalde muziekjes, zoals een stukje
ballad of een melig deuntje.
 
Wat er uit de muziek van Nichols op het werk van Mengelberg een steeds groter stempel lijkt te drukken, is het gevoel voor lyriek. In het recentere werk toont Mengelberg zich een steeds milder observator van mens en muziek dan in het verleden. De behoefte om te shockeren is er niet meer, het mag af en toe ongegeneerd lyrisch en welluidend zijn, maar dan altijd wel met sentimentaliteit op en zeer grote afstand.
 
________________________________________
 
Discografie
Regeneration (Soul Note 121054-1)
Extension Red, White & Blue (ICP 025)
Two Programs (ICP 026)