Teddy Edwards

Een rechtgeaarde inwoner van Los Angeles
  
MAARTEN DE HAAN, december 1999
 
Als hij een korte frase speelt is het alsof hij proeft aan een geliefd stuk snoepgoed. Zo te horen smaakt het hem nog altijd goed. Als hij niet speelt kijkt hij streng de zaal in, als een leraar die controleert of iedereen nog bij de les is. Van de driekwart eeuw dat hij op de aarde rondloopt is Teddy Edwards al 63 jaar uitvoerend musicus.

Zijn optreden in het BIM-huis laat de mooie, diepe stem horen van een heer met gelooide levenservaring.Jazzveteraan Edwards, in Nederland na optredens in Zwitserland en Duitsland, blijkt tijdens een ontmoeting in Amsterdam een man die aanstekelijk en precies kan vertellen over zijn ervaringen.

Ooit werd hij in het kader van een oral history project van de Rutgers Universiteit in New Jersey urenlang geïnterviewd, met name over de vergeten figuren in de jazzgeschiedenis die hij gekend heeft. “Ze zeiden dat broer van Lester Young en ik het beste geheugen hadden.”

Geboren in Jackson, Mississipi had Edwards weinig mogelijkheden om lessen te volgen toen hij als tiener zijn eerste instrument, altsaxofoon, oppakte. De eerste beginselen leerde hij van een man die een kamer huurde in zijn ouderlijk huis en uit een boek met harmonieleer  dat zijn vader bij vertrek op de piano had laten staan.
 
“Ik heb in mijn leven alles bij elkaar zeven maanden les gehad. Vier in Mississipi, drie later in Los Angeles. Mijn laatste leraar gaf ook les aan Buddy Collette en Stan Getz. Hij had grote plannen met me. Voor de lessen van $100 moest ik drie dollar betalen. You do the $97 worth of practice
, zei hij dan. Toen ik uiteindelijk vertelde dat ik er niet genoeg tijd voor had stonden er tranen in zijn ogen.”

Na eerst in Detroit indruk te hebben gemaakt met zijn vroegrijpe spel vestigde Edwards zich in Los Angeles. Daar ontmoette hij trompettist Howard McGhee, die hem in 1945 overhaalde om in zijn nieuwe groep tenorsaxofoon te gaan spelen. Edwards eigenzinnige geluid kan deels uit deze late overstap verklaard worden: “Nog steeds voel ik mij een altsaxofonist die tenor speelt.”


Bird  

Precies in die tijd leefde altsaxofonist Charlie Parker in Californië. Hij en Edwards trokken veel met elkaar op en woonden geruime tijd in dezelfde woning. “Parker was gek op schaken. Een Ierse dame had het ons geleerd. ’s Avonds speelden we samen en overdag zaten we om het schaakbord.”
 
Toen Bird terugging naar New York brachten Edwards en de Ierse hem naar de trein. Na Parker’s bekende Californische zenuwinstorting zocht Edwards, die met hem in een septet van Howard McGhee zat, hem als eerste op in het Camarillo General Hospital. “Howard vond dat ik van iedereen aan de westkust Parker het beste kende. Ik weet nog dat hij boos was dat Ross Russell, de voormalige eigenaar van Dial Records, mij nauwelijks noemt in zijn boek Bird Lives.”
 
Vorig jaar kreeg Edwards vanuit Zwitserland een brief van jazzimpresario Norman Granz, waarbij een cheque van 10.000 dollar ingesloten. Deze begon met de zin: ‘Deze brief is veel en veel te laat’. “In 1946 zou Parker spelen in een van Granz’ Jazz At The Philharmonic-concerten. Terwijl de zaal binnenstroomde bleek Parker onvindbaar. Toen het concert zou beginnen en hij er nog niet was begonnen mensen hun geld terug te vragen. Ik wist met wie hij die dag was en kon hem net op tijd vinden. Granz is dat nooit vergeten.”

Hoewel zijn vriendschap met Parker onderbelicht is gebleven heeft Edwards zijn deel kunnen bijdragen aan de geschiedschrijving rond de bebop legende. Midden jaren tachtig vertelde hij zijn herinneringen aan regisseur en scenarioschrijver Joe Oliansky, die een zogenaamde biopic wilde maken waarin Richard Pryor de hoofdrol zou spelen.
 
De productie werd steeds uitgesteld, totdat Clint Eastwood het overnam en op basis van het script ‘Bird’ draaide. Edwards is niet onverdeeld tevreden over de film, die vooral de slechte kanten van de man laat zien. “Natuurlijk, Charlie Parker was een drugsverslaafde.
So was Chopin”. Hij laat het niet na daar nog twee blanke saxofonisten, Stan Getz en Gerry Mulligan, aan toe te voegen. 

Teddy Edwards zelf was ‘hot’ rond 1946. Enkele opnames die hij maakte voor Dial Records waren van grote invloed op een nieuwe generatie tenorsaxofonisten. “Jimmy Heath heeft me wel eens verteld dat hij en John Coltrane nachten lang hebben gestudeerd op mijn solo’s.”
 
Zo was er Up In Dodo’s Room met McGhee’s sextet, waarmee Edwards de eerste bebop solo op tenor op geluidsband vastlegde. “Ik was bijzonder omdat ik noch in de stijl van Coleman Hawkins speelde noch in die van Lester Young.” Wel is hij als virtuoos muzikant tot op de dag van vandaag verbonden aan een genre dat met Hawk geassocieerd wordt: het degens kruizen van tenorsaxen. Kort na Up In Dodo’s Room ging Edwards met Dexter Gordon in de studio voor een sessie die treffend The Duel werd genoemd. 

“Dexter en ik zouden ook allebei een stuk zonder de ander doen, twee ballads. Zijn opname nam echter zoveel tijd in beslag dat er voor mij maar vijf minuten overbleven. De producer stelde voor dat ik dan maar een eenvoudige blues zou spelen. Het enige dat ik met de ritmesectie afsprak was dat ik een introductie zou spelen met een break in het tweede chorus.”
 
Juist deze Blues In Teddy’s Flat werd het grote miljoenensucces van Dial Records. Edwards ontving er tot nu toe niet meer voor dan de $41,25 voor de hele opnamedag. “Laatst heeft Rhino Records de cd-box Central Avenue Sounds (1921-1956) uitgebracht waarin het stuk is opgenomen. Blues In Teddy’s Flat is altijd wel ergens verkrijgbaar geweest, maar nu pas ga ik
royalties ontvangen.”
  
West Coast 

Dat Edwards ondanks zijn succes weinig bekendheid genoot wijt hij aan zijn weigering om naar het westen te gaan, waar alle jazzjournalisten zaten. “Ik ben bijna een fatalist. Als ik geen zin heb om naar New York te gaan, dan ga ik niet naar New York.”
Een andere reden die hij geeft voor het feit dat hij zo laat internationaal doorbrak is dat de grote managers George Wein en Norman Granz hem links lieten liggen.

Het boek met harmonieleer van zijn vader vormde niet alleen het spel van Edwards. Ook als componist en arrangeur liet hij al vroeg van zich horen. Op veertienjarige leeftijd schreef Edwards al een stuk voor 18 instrumenten. Toen hij in de jaren zeventig vanwege fysieke klachten een jaar niet kon spelen schreef hij een stuk voor 33 muzikanten dat in Los Angeles zou worden opgevoerd. “Blazers zijn de beste arrangeurs. Zij houden er tenminste rekening mee dat het ook nog gespééld moet worden.

Zijn bekendste compositie, Sunset Eyes, schreef Edwards ruim een halve eeuw geleden. “In de Down Beat Club werden op een gegeven moment televisieopnamen gemaakt waarvan de eigenaar veel verwachtte. Hij vroeg me een muziekstuk van drie minuten te schrijven en zei er bij: ‘Maar je moet wel wat bewegen, Teddy, je kan niet alleen maar cool staan te wezen.’ Daarom is het middenstuk van Sunset Eyes is zo dat de blazers zich er op heen en weer kunnen bewegen.” Een uitvoering met het befaamde kwintet van Max Roach en Clifford Brown maakte Sunset Eyes klassiek.

Edwards’ geluid werd op den duur warmer en meer bluesy. Tot op de dag van vandaag begeeft hij zich na middernacht in jazzclubs. Maar hij ging wel werken met een aantal vaste mensen, een kwartet met pianist Joe Castro, bassist Leroy Vinnegar en drummer Billy Higgins.
 
De samenwerking had iets van een collectief: nu heette het Leroy Vinnegar Quartet, dan weer Teddy Edwards Quartet, afhankelijk van wie het optreden of de plaatopname geregeld had. Een reünie met Howard McGhee, die nadat hij Charlie Parker op het rechte pad had geprobeerd te houden zelf door drugs uit de roulatie was geweest, betekende ook voor Edwards een soort come-back. 
Zoals zo veel jazzmusici in LA verdiende Edwards bij met schnabbels voor radio, televisie en films als Bye Bye Birdie en Any Wednesday. 

Een interessant engagement was ook de tournee aan de oostkust met Benny Goodman. “Het was net een droom. Toen ik klein was luisterde ik altijd naar Goodman’s programma op de radio, Camel Caravan. We hadden thuis geen radio, dus ging ik iedere woensdagavond naar de ijssalon om de hoek om buiten mee te luisteren.”
 
Na de tournee bleef hij werken voor de klarinetist als arrangeur. Goodman had zelfs het plan een Broadway musical te maken met muziek van Edwards. Dit project, Blue Clarinet, ging uiteindelijk niet door en zou als Blue Saxophone door Edwards zelf worden uitgebracht. 
“Voor Goodman was alles business, hij draaide iedere penny tweemaal om voordat hij hem uitgaf. Tijdens een repetitie die niet naar wens verliep zei hij eens tegen mij: ‘Wat ben jij rustig. Ik ben een nerveus wrak.’ Waarop ik zei: ‘Benny, je moet je er af en toe bij neerleggen dat dingen gaan zoals ze gaan.’ Ondertussen dacht ik aan al die miljoenen op zijn bankrekening. Goodman had een grote angst dat mensen hem niet accepteerden, met name voor een optreden. Zodra hij op het podium stond en mensen begonnen te klappen dan was hij in orde. Zonder applaus was hij waarschijnlijk ter plekke dood neergevallen.”
 
Film
 
Een andere ongebruikelijke samenwerking en vriendschap was die met zanger Tom Waits, met wie hij in de late jaren zeventig ging spelen in club Troubadour in Hollywood en een tournee maakte door Europa, Australië en Nieuw-Zeeland.  Als solist zou Edwards bovendien spelen op de voor een Oscar genomineerde soundtrack van de Francis Ford Coppola’s One From The Heart.
 
“Er was iets magisch met die opnamen. Tom hield er niet van om met een ‘click track’ te werken om de muziek synchroon te laten lopen met de film. Ik wist van tevoren niets van het verhaal en speelde op de geluidsband achter zangeres Chrystal Gayle. Toen we later het resultaat onder de betreffende scene uit de film zetten bleek alles naadloos aan te sluiten bij de handeling.”

Waits was ook de man die Edwards’ carrière toen hij al jaren geen platencontract meer had een nieuwe impuls gaf. Op Edwards’ eerste plaat voor Polygram, Mississipi Lad, zong Waits twee liedjes van Edwards: I’m Not Your Fool Anymore en Little Man. “Tom heeft overigens nooit geld voor aangenomen voor zijn werk, zelfs geen vervoerskosten.” Net als collega Dexter Gordon kreeg Edwards een hoofdrol in een film over een down-and-out tenorsaxofonist die ervan droomt weer eens te spelen. “De film heet The River Bottom en gaat over dakloosheid.” Edwards zelf heeft weinig te maken gehad met de bekende jazz levensstijl.
 
Dat hij gedurende zijn leven drie periodes niet kon werken vanwege fysieke klachten heeft niets met drugs of persoonlijke problemen te maken. Maar bijzinnetjes als “Leroy Robinson was een geweldige altsaxofonist. Zijn vriendin schoot hem op het podium dood.” geven wel aan dat hij er wel alles van weet.
  
2000
 
Het is pauze tussen de twee sets tijdens het optreden in het BIM-huis. Edwards toont zich terecht ontevreden over het luide, opvallend autistische spel van drummer Han Bennink. “Met die man speel ik niet meer. Hij komt van een andere planeet.”
 
Er is inderdaad geen groter contrast denkbaar dan tussen de saxofonist voor wie hecht samenspel het belangrijkst is geworden en de rusteloos zoekende slagwerker. Gelukkig heeft hij ook goede ervaringen met Nederlandse musici. Al twintig jaar geleden trad hij op met het Metropole Orkest en hij maakte ooit voor het Wageningse label Timeless een plaat met pianist Rein de Graaff, bassist Henk Haverhoek en drummer John Engels.

En sinds een paar maanden is er de cd Sunset Eyes 2000, die hij met Saskia Laroo en een viertal doorgewinterde Amerikaanse musici opnam. “Eenentwintig jaar geleden kwam ik voor het eerst naar Nederland met een band om onder andere een masterclass te geven. Onze bagage was tijdens de overtocht verloren geraakt en ik moest improviseren.
 
Terwijl ik wat zat te rommelen kwam er een jong meisje naar me toe die vroeg of ze kon helpen. Dat was de eerste dat ik Saskia ontmoette. Pas vorig jaar zag ik haar weer, tijdens het North Sea Jazz Festival. Toen ze naar Los Angeles kwam en met mij op sessies speelde drong iedereen erop aan dat we eens samen de studio in zouden gaan.”
 
Op zijn vijfenzeventigste zit Edwards nog boordevol plannen. Zoals iedere rechtgeaarde inwoner van Los Angeles werkt hij aan een filmscript. Hij is verbonden aan projecten over beroemde jazzmusici als Count Basie, Monk en Clifford en gaat nog steeds robbertje vechten met concullega’s niet uit de weg, zoals blijkt uit zijn duo-cd’s met Houston Person en zijn deelname aan The Battlerow Of Tenors And Trumpets.
 
“Ik heb nooit te klagen gehad over muzikale inspiratie. Zoals ik me nu voel kan ik ze nog jaren lang mijn ideeën verwezenlijken.”