Clare Fischer

Het best bewaarde geheim van de jazz
 
MAARTEN DE HAAN, 1998
 
Een wat gedrongen man neemt plaats voor het Metropole Orkest om een arrangement voor strijkers te dirigeren. “We spelen nu iets van Henri Mancini, een goede vriend voor wie veel sessiemuzikanten in de buurt van Los Angeles gewerkt hebben”. De aankondiging tekent muzikale verleden van de dirigent, Clare Fischer. De 68-jarige pianist, componist en arrangeur werkte een groot deel van zijn leven in dienst van anderen in de studio’s van Californië.
 
En dat laatste wekt verwondering bij degenen die de talenten van Fischer kennen. Zoals pianist Bert van den Brink, die samen met Cor Bakker de duopiano-CD ‘DeClared’ met muziek van de oude grootmeester opnam en zijn kleuring van harmonieën uniek noemt. Een huis vol gouden platen, lovende jazzkritieken en Grammy Awards voor zijn werk hebben van Fischer geen ‘grote naam’ gemaakt.
 
Sterker nog, men weet zijn naam zelden goed te spèllen. Zo heette hij op het toegangskaartje van een optreden in Den Haag zeker niet voor de eerste keer ‘Claire Fisher’. “Zoveel mensen hebben gedacht dat ik een meisje was dat ik me op een gegeven moment voor de grap ‘de lieftallige Clare Fischer’ ging noemen”.
 
Niet dat Fischer, onlangs in Nederland voor twee concerten en een masterclass, de indruk maakt wereldfaam na te jagen. Op zijn Hilversumse hotelkamer spreekt hij met de rust en gelatenheid van een grand old man over zijn werkelijke passies, muziek en taal. 

“De gemiddelde mens heeft ongeveer 15% begrip van een vreemde taal. Hij weet wèlke taal het is en kent één of twee woorden. Met muziek is het niet anders. De meeste mensen horen slechts de tekst of de beat. Ik heb altijd muziek gemaakt voor goede verstaanders, voor mensen met 65 tot 80% muzikaal begrip. Daarom voer ik nu met mijn vocale sextet ook alle stukken in de oorspronkelijke taal uit, of het nu Duits, Spaans of Japans is”.
 
Fischer spreekt zelf Spaans en Portugees en wordt beschouwd als een van de weinige jazzmuzikanten die zich de Latijns-Amerikaanse muziekstijlen echt eigen heeft gemaakt. Hij geniet om deze reden een sterstatus in Mexico. “In mijn conservatoriumtijd werd ik gegrepen door de musica latina en was ik vaak in de Spaanse wijk te vinden”.
 
De muzikale carrière van Clare Fischer begon precies veertig jaar geleden. In zijn woonplaats Detroit -”waar ik zo’n beetje de enige was met een vaste baan”- wist hij het vocale kwartet The Hi-Lo’s te interesseren voor zijn diensten. Vijf jaar lang was hij pianist en arrangeur bij deze groep. “Als tiener arrangeerde ik al stukken voor de schoolband, in ruil voor muzieklessen. Ook sprong ik regelmatig bij op cello, klarinet en andere instrumenten. Dankzij die ervaring kon ik later als arrangeur inspelen op de eigen klank van een instrument en intuïtief te werk gaan”.
 
Tijdens de Hi-Lo’s arrangeerde Fischer een plaat voor trompettist Donald Byrd, waarop bekende standards door subtiel gebruik van strijkinstrumenten en harpen een nieuw, melancholisch karakter kregen. Hoewel Byrd’s ‘September Afternoon’ vijfentwintig jaar op de planken bleef liggen had Fischer het geluk dat de trompettist de opname aan Dizzy Gillespie liet horen. Gillespie vroeg hem op zijn beurt voor een plaat met Duke Ellington muziek, die goed werd ontvangen. Het leverde de jonge muzikant zijn eerste platencontract op.
 
De vroege platen van Fischer zijn zorgvuldige studies in jazz, bossa nova en mambo, met de harmonische diepgang van Bach, Sjostakovitsj en Stravinsky. Alhoewel zij commercieel weinig succesvol waren werden zij bejubeld door muziekcritici en gekoesterd door andere muzikanten. Tot op de dag van vandaag staat Fischer bekend als een musicians’ musician. Hij profileerde zich tegelijk als pianist en als arrangeur, en componeerde zijn bekendste nummers ‘Pensativa’ en ‘Morning’. 

Zijn veelzijdigheid had ook nadelen. “Als ik met een trio speelde werd gezegd ‘Fischer heeft veel te danken aan Bill Evans’. Die had ik echter nog nooit horen spelen. Mijn grote voorbeeld was altsaxofonist Lee Konitz. En als ik vervolgens een plaat orkestreerde was het Gìl Evans, de arrangeur, die ik navolgde. Ik noemde dit mijn Evans Brothers Syndrome”.
 
Fischer kon en wilde niet naar Europa om zijn bekendheid te vergroten omdat hij net een gezin gesticht had. In de jaren zestig werkte hij veel in Californische studio’s als muzikant bij reclames en films. Daarbij ondervond hij dat als sessiemuzikant de producent vaak je ergste vijand is. 

“Ze willen altijd dat je iets anders doet dan waar je goed in bent. Zo werd ik regelmatig bij een plaatopname gevraagd om zoals Joe Sample (pianist van de Jazz Crusaders -MdH) te spelen. Na veel tegenstribbelen deed ik dat dan wel, maar ik voelde me er achteraf vreselijk over. Op een gegeven moment werkte ik in de studio mèt Joe Sample. In de pauze kwam hij naar me toe en zei: “Ik wil je iets zeggen waar ik werkelijk van baal. Every time I go into a recording session they ask me to lay down some of that shit that you do”.
 
Na tien jaar studiowerk en artistiek geslaagde maar onopgemerkte soloplaten sloeg Fischer een nieuwe koers in. Net als Herbie Hancock en Chick Corea was hij een pionier op elektrische piano en orgel. In deze hoedanigheid ging hij op wereldtournee met de band van vibrafonist Cal Tjader. Voor Tjader had Fischer eerder platen georkestreerd en een van de eerste Amerikaanse bossa nova platen gemaakt. 

Met de hernieuwde samenwerking laaide Fischer’s enthousiasme voor Latijns-Amerikaanse muziek weer op. Hij begon een eigen groep met latino muzikanten, Salsa Picante, waarin hij eclectisch met muzikale stijlen omsprong. Later kwam er een vocale groep bij, 2+2. Stravinsky werd gecombineerd met boogie woogie, country met renaissancemuziek.
 
Tevens ging Fischer werken als arrangeur van strijkers bij zwarte R&B groepen. Hoe een blanke Amerikaan met Duitse voorouders bij het Motown-label terecht kwam is snel uitgelegd. “Nepotisme. De zoon van mijn broer, André Fischer, was de drummer van de band Rufus met Chaka Khan. Blijkbaar werden de arrangementen die ik maakte voor die band op prijs gesteld, want de volgende jaren werkte ik enkel voor zwarte artiesten”. 
Naarmate zijn bekendheid groeide werd Fischer ook door musici als Paul McCartney, Celine Dion en Robert Palmer ingeschakeld. “Ik ben verbaasd dat mijn arrangementen zo langzamerhand worden gezien als één van de voorwaarden van een hit album. Men vindt dat ze een popliedje bijna klassiek doen klinken”.
 
Enkele jaren geleden liep de samenwerking met Robert Palmer uit op een juridische strijd. Buiten Fischer om liet de zanger producent Teo Macero de opnames te bewerken en hij gebruikte zijn partituur zonder toestemming bij een concert. Deden deze problemen herinneren aan zijn eerdere strijd met studioproducenten, de samenwerking met Prince ervaart Fischer als plezierig en vruchtbaar. Het wat onwaarschijnlijke tweetal werkte samen aan meer dan veertig nummers, beginnend met het projekt The Family.
 
“Prince is intelligent. Hij komt niet naar opnames en ik heb hem nooit ontmoet. Ik ontvang memo’s van hem en we spreken over de telefoon. En dat is niet zonder reden. Ooit stuurde ik hem een CD met 2+2 op waarvoor ik een Grammy ontving. Toen hij het schijfje eruit haalde keek hij opzettelijk niet naar de omslag met mijn foto erop, en zei: ‘Ik wil niet weten hoe hij eruit ziet. Zoals het nu gaat werkt het prima’. Prince wil mij niet zien omdat hij me mijn eigen gang wil laten gaan. Het is ongebruikelijk dat iemand met zo’n sterk ego zich realiseert dat hij ook mijn ego de ruimte moet laten”.
 
Sinds hij zeven jaar geleden bij een auto-ongeluk een schedelbasisfractuur opliep is Fischer naar eigen zeggen emotioneler en meer uitgesproken geworden. Hij voelt het besef ouder te worden in een veranderende wereld. Veel van Fischer’s muzikale geestverwanten zijn heengegaan en bij ieder sterfgeval schreef hij een requiem of elegie. 

“Het sterven van mijn vriend Antonio Carlos Jobim heeft me in het bijzonder aangegrepen. Hij was net als ik 68, en ìk leef nog. Ik heb na zijn dood een droom gehad waarin ik zijn ‘Corcovado’ aan het dirigeren was. Alleen het was geen gewone uitvoering, er waren allerlei harmonische lijnen in de baspartij. Toen ik wakker werd schreef ik uit wat ik gedroomd had. Het werd Jobim’s in memoriam, een stuk dat ik ‘Corcovado Funebre’ noemde. Ik heb het opgenomen met mijn huidige blazersband”. Met zijn commerciële opdrachten betaalde Fischer een kostbare groep met 40 blazers. “Misschien sterf ik arm, maar dan wel met een lach op mijn gezicht” zegt hij hier graag over.
 
Dit jaar werd Fischer opnieuw voor een Grammy genomineerd, voor een arrangement van Cole Porter’s ‘In the still of the night’ voor de vocale groep Chanticleer. Ironisch genoeg voor de muziek àchter de vocalen, terwijl hij ook voor de zang tekende. Het leert Fischer eens te meer dat hij buiten de geijkte categorieën valt.

“Ik ben een van de best bewaarde geheimen in de jazzgeschiedenis. Veel van mijn vroege platen zijn niet meer te krijgen en het blijft moeilijk om eigen muziek uit te brengen” zegt Fischer. “Het is me juist gelukt om mijn laatste CD, ‘Rockin’ in rhythm’, bij een maatschappij onder te brengen, na vier en een half jaar! De tegenwoordige versie van ‘bel ons niet, wij bellen u’ is: ‘oh, we vinden het geweldig, maar we weten niet hoe we het moeten verkopen’. Waarop ik zeg: breng the son of a gun maar gewoon uit en laat het zichzèlf verkopen”.