Chico Buarque

Kwetsbare roem
 
MAARTEN DE HAAN, August 2006
 
Oorspronkelijk had hij een heel ander soort carrière voor ogen gehad, legt Chico Buarque uit. Tijdens de wereldkampioenschappen voetbal bezoekt de 61-jarige zanger en schrijver uit Brazilië Berlijn. Plaats en tijd zijn goed gekozen, want voetbal is zijn vroegste en meest duurzame passie. “Vanaf mijn vierde, en ik speel nog wekelijks. Daarna, van mijn tiende tot twintigste jaar, las ik veel literatuur, voornamelijk Europese. Ik hoopte, nee, ik wist zeker dat ik later schrijver zou worden. Daarna heeft de muziek mij als het ware ontvoerd. Mijn literaire ambities heb ik pas weer opgepakt toen ik 40 was.”
 
De werelden van literatuur en muziek in Brazilië liggen -wat de vooroordelen over samba ook mogen zijn: oppervlakkig, primitief- niet ver uit elkaar. In een bar of zomaar op straat worden de meest gecompliceerde melodieën en teksten moeiteloos gescandeerd. “In Brazilië is er geen scheiding tussen hoge- en popcultuur zoals elders.” merkt Buarque op “Een mooi voorbeeld is Vinicius de Moraes, die een gevestigd dichter was toen hij popliedjes ging schrijven en medegrondlegger was van de bossa nova.”
 
Het was de muziek die Brazilië in het midden van de vorige eeuw een eigen gezicht gaf. Een groep bevriende kunstenaars uit de wijk Ipanema in Rio de Janeiro schiep een nieuwe, invloedrijke muzikale stijl, die nog altijd een stempel drukt op jazz- en popmuziek. De directe opvolger van bossa nova, Música Popular Brasileira (MPB) was in eigen land minstens zo succesvol. De drie leidende figuren van MPB, Caetano Veloso, Gilberto Gil en Chico Buarque de Hollanda, zijn nationale iconen. Als de standvastige intellectueel van de drie heeft Chico Buarque een bijna bovenmenselijke reputatie in Brazilië.
 
Precies veertig jaar geleden was A Banda, een liedje over een carnavalorkest, Buarque’s grote doorbraak. Dichter Carlos Drummond de Andrade prees het als “zo diep in onze cultuur geworteld, een mars die ons in tijden van militaire dictatuur de zo gewenste vreugde bezorgt.” De trefzekere woordkeus en de knappe verschijning van Buarque, met fascinerende, helblauwe ogen, deden het enthousiasme zelfs omslaan in een soort collectieve verliefdheid.
 
Toen hij na A Banda zijn populariteit wist te continueren met een reeks hits, werd Buarque er hardhandig op gewezen dat roem ook kwetsbaar maakt. Dat hij populair werd tijdens de opkomst van de militaire dictatuur, dat hij teruggreep op een oudere muzikale traditie van de samba-cançao en veel samenwerkte met bossa nova muzikanten had de gemakzuchtige gevolgtrekking tot gevolg dat hij een meeloper zou zijn.
 
De uit Bahia afkomstige muzikanten Gilberto Gil en Caetano Veloso, ook wel tropicalistas genoemd, stonden een rockgeoriënteerde, activistische anti-establishment muziek voor. Hun fans, en volgens velen ook zijzelf, schroomden niet de ‘mooiïge’ muziek van Buarque uit te jouwen.  Toch waren het juist de cryptische metaforen van Buarque die door de autoriteiten het meest bedreigend zouden worden gevonden. Hij groeide uit tot symbool van onafhankelijkheid van het individu tegenover de staatsmacht. Nadat zowel Buarque als de tropicalistas aan het begin van de jaren zeventig geruime tijd het land ontvlucht waren werden de ‘misverstanden’ bijgelegd en werkten zij zelfs regelmatig samen.
 
Zelf relativeert Buarque zijn bijdrage aan het verzet. “Toen na 1968 de dictatuur in de meest repressieve fase kwam, hebben kunstenaars gesproken voor degenen die het zwijgen was opgelegd. Politieke partijen en vakbonden waren uitgeschakeld en de studentenbeweging monddood gemaakt. Zo werden concerten, ook als er enkel liefdesliedjes werden gezongen, politieke happenings. Veel liedjes kregen daardoor een dramatische kracht.”
 
Listige teksten zoals het door Buarque en Gil geschreven Calice waren van grote invloed. Daarin wordt het titelwoord in de zin ‘vader, laat deze beker (’calice’) aan mij voorbijgaan’ ongemerkt vervangen door ‘cale-se’, oftewel ‘hou je mond’: ‘vader, laat dit hou-je-mond aan mij voorbijgaan’. Een protestzanger vindt Buarque zichzelf evenmin. “Dat woord kennen wij niet in Brazilië, niet zoals in Frankrijk of Latijns-Amerika. Wel is er een traditie om in liedjes sociale problemen te bezingen. De harde realiteit van alledag vind je in carnavalsliedjes. Ze zijn vrolijk, vol ironie, en als je alleen de tekst zou lezen zou je er de muziek nauwelijks bij kunnen voorstellen.”
 
De militaire dictatuur duurde van 1964 tot 1985. Het leeuwendeel van zijn uitgebreide oeuvre maakte Buarque juist in deze periode. Als filmcomponist, toneelschrijver en acteur trad hij op en in de muziek varieerde zijn rol: tekstschrijver bij  Antônio Carlos (‚Tom’) Jobim, componist bij Vinicius, zanger bij Guinga. Zijn ongeveer 250 liedteksten zijn klassiek geworden, vaste leerstof op scholen. Zijn preoccupatie is menselijk, niet politiek: zelden bezong een troubadour de complexiteit van menselijke relaties zo hartverscheurend of intimiteit, veelal vanuit vrouwelijk perspectief, zo teder.
 
Na 1987 verschenen slechts vijf van Buarque’s drieënveertig albums. Aanleiding voor zijn bezoek aan Berlijn is het uitkomen van een kersverse, maar korte CD, Carioca, en zijn eerste optreden in zeven jaar. Het heeft ermee te maken dat hij inderdaad zijn literaire ambities heeft opgepakt, en met succes: de romans Estorvo (1991), Benjamim (1995) en Budapeste (2003) werden nationaal en internationaal goed ontvangen. Estorvo verscheen in Nederland in 1992 onder de titel Onrust en Budapest een jaar geleden, beide bij JM Meulenhoff in een vertaling van Braziliëkenner August Willemsen.
 
De romans hebben een beduidend andere toonzetting dan de liedjes, zijn zelfs dieppessimistisch te noemen. Vooral de twee oudere werken laten zich lezen als kronieken van een depressie. Buarque’s hoofdpersonen zijn vervreemd van hun omgeving en gaan zonder enige hoop op catharsis hun ondergang tegemoet. Desgevraagd speculeert Buarque dat het proces van liedjesschrijven hem heeft afgehouden van deze zware thematiek. “Als componist maakte ik nooit de tekst vóór de muziek, of ik nu zelf of een ander, bijvoorbeeld Tom Jobim, de muziek leverde. De melodie was leidend, vroeg om bepaalde woorden en het kan zijn dat daardoor het eindresultaat zoeter werd. Daarnaast is het zo dat ik bewust een breuk met het verleden wilde forceren toen ik literatuur ging schrijven.”
 
Budapeste is wat luchtiger van toon. De protagonist, José Costa, is gezien Buarque’s leven in de openbaarheid een intrigerende. Een begaafd ghostwriter die, ongezien door de wereld, anderen beroemd maakt, zoekt in de stad Budapest nog meer anonimiteit. Hij vervangt zelfs zijn eigen taal door de Hongaarse. Het enige moment in het gesprek met Buarque dat hij, een geserreerd man, enigszins vurig wordt is als hij spreekt over Costa’s “zoektocht naar anonimiteit, zijn poging uit de wereld van het bekende te breken, weg van de ziekte van willekeurige roem, van beroemdheid die niets met prestaties van doen heeft.”
 
Buarque is een benaderbare icoon. In Rio de Janeiro loopt hij vrijwel iedere dag vanuit zijn huis in Leblon naar de rotsen van Arpoador, de grens tussen de stranden van Ipanema en Copacabana. Hij geeft echter zelden interviews en geldt -onterecht- als gereserveerd. De Braziliaanse pers voldoet niet aan zijn strenge kwaliteitseisen. Aan het begin van zijn carrière was hij te actief en succesvol, nu zou hij op zijn retour zijn, drankzuchtig en speelbal van affaires na de scheiding van zijn vrouw, actrice Marieta Severo. Het ontsnappen uit de wereld van gemakzuchtige meningen en oordelen lijkt voor Buarque niet minder aantrekkelijk dan voor José Costa.
 
Slechts één keer heeft hij zelf anonimiteit beleefd: toen hij, om de censuur van de militaire junta’s te ontduiken, zijn liedjes uitgaf onder het pseudoniem Julinho de Adelaide. Nu bereikt hij met zijn literatuur een nieuw publiek in Europa, hetgeen verfrissend is. “Een Noorse journalist vroeg me laatst: klopt het dat u ook muziek maakt?”
 
Als muzikant is Buarque een minimalist geworden. Het concert in het Berlijnse Haus der Kulturen is bijzonder ingetogen. Tijdens het schrijven van Budapeste, een periode van vier jaar, heeft hij geen gitaar aangeraakt, vertelt hij: “ik heb me van alle ervaring en routine losgemaakt”. Om het belang van onbevangenheid te onderstrepen citeert hij een opmerking van componist Berlioz over zijn leerling Saint-Saëns: “hij weet alles, maar mist onervarenheid”.
 
Zijn laatste CD heet Carioca oftewel ‘uit Rio’, een ode aan zijn geboortestad. “Rio is een decadente stad, verarmd, vol problemen. De stad en de voetbalclubs worden momenteel slecht bestuurd. Maar zij verdient het om bezongen te worden. Men mag niet vergeten dat zij ook nu nog de rijkste bron van Braziliaanse muziek vormt.”
 
Nieuwe generaties van muzikanten hebben zich aangediend. Bebel Gilberto, dochter van Buarque’s zuster, zangeres Miùcha en João Gilberto, timmert internationaal aan de weg en zijn dochter is gehuwd met zanger/producent Carlinhos Brown uit Bahia. Buarque beschouwt zichzelf tot op zekere hoogte als sleutelfiguur tussen de bossa nova en de nieuwe generatie “maar ik wil mezelf niet vergelijken met Vinicius of Jobim. Zonder hen was ik nooit muzikant geworden.”


Zie ook NRC Artikel Chico Buarque