Steve Kuhn

Spelen vanuit je tenen
 
door MAARTEN DE HAAN, september 2001
 
Afgelopen december was pianist Steve Kuhn in Amsterdam om masterclasses te geven en op te treden in de nieuwe jazzclub op de Spuistraat, Pompoen. Binnenkort verschijnt de derde cd van het trio met bassist David Finck en drummer Billy Drummond, waarmee Kuhn al jaren optreedt in het Knickerbocker Restaurant in New York,
The Best Things.
 
‘Wat ik me nog heel goed herinner van Coltrane is dat hij altijd rook naar
butterrhum lifesavers, de botertoffees in de vorm van een reddingsboei waar hij gek op was’. Voor wie Steve Kuhn kent van zijn experimentele platen uit de jaren zeventig is het verrassend dat hij deelnam aan het allereerste kwartet van John Coltrane, kort nadat de saxofonist Giant Steps had opgenomen.
 
‘In 1959 kwam ik naar New York en werd pianist bij Kenny Dorham. Toen ik hoorde dat Coltrane wegging bij Miles Davis trok ik de stoute schoenen aan en belde hem op. We ontmoetten elkaar twee keer, in een oefenruimte en bij hem thuis om elkaar te leren kennen en te spelen. Een paar dagen later volgde het verlossende telefoontje:
Would 135 dollar a week be okay?
 
Helaas voelde Kuhn zich weinig op zijn plaats in het kwartet. Niet omdat Coltrane eigenlijk McCoy Tyner op het oog had of omdat hij als blanke kritisch werd bekeken door de zwarte goegemeente. ‘Ons samenspel werkte niet. Als Coltrane out speelde ging ik met hem mee. Als we het er over hadden zei hij: ik kan je ook niet vertellen hoe je moet spelen. Pas toen ik Coltrane en Tyner samen hoorde wist ik hoe het moest.’
 
Destijds trok Kuhn veel op met bassisten Scott LaFaro en Paul Chambers. ‘Scott haalde hij bij het kwartet van Stan Getz, net voordat die zijn razend populaire bossa nova-platen ging maken. We werden bij optredens bejubeld als popsterren.’ Het zijn opnames die hij niet graag terughoort, want ‘de jaren zestig waren voor mij een zoektocht naar een eigen geluid.’
 
Aan zijn techniek lag het zeker niet. Op twaalfjarige leeftijd had Kuhn les genomen bij Margaret Chaloff, moeder van de vroeg gestorven saxofonist Serge. ‘Zij onderwees me in de klassieke Russische school, waartoe pianisten van Horowitz tot Gavrilov behoren. Volgens deze traditie moet muzikaliteit uit je hele lichaam komen, vanuit je tenen. Je vingertoppen zijn het mondstuk van je expressie’ De jonge Kuhn was zo veelbelovend dat Chet Baker hem op zijn vijftiende vroeg om mee te gaan naar Parijs, wat overigens door zijn ouders verboden werd.
 
Pas later in zijn carrière begon Kuhn met componeren. ‘In 1969 schreef ik een stuk voor een plaat met Steve Swallow en Aldo Romano. Opeens realiseerde ik me dat ik zojuist bijna mijn complete oeuvre opgenomen had. In de jaren daarop schreef ik vijftien stukken, waaronder
The Zoo en The Saga Of Harrisson Crabfeathers/Poem for #15.”
 
Het was ECM-producer Manfred Eicher die Kuhn hielp een eigen stijl te ontwikkelen, met name door de kunst van het weglaten. “Als hij je mag is Manfred een geweldige producer. Zo niet, dan kun je even goed op de maan een plaat gaan opnemen. Ik bewonder jazzmusici als Louis Armstrong, Ahmad Jamal en Count Basie, die lieten zien dat
less is more. Maar tot mijn ontmoeting met Manfred Eicher bracht ik het zelf nauwelijks in de praktijk.” 
 
De artistieke hoogten die Kuhn bereikte als solist, met zijn kwartet en met zangeres Sheila Jordan -die hem afgelopen november voorafging in Pompoen- leverden hem een kleine, maar trouwe aanhang op. Na een periode in het schnabbelcircuit, in zogenaamde
Society Bands koos Kuhn eind jaren tachtig ondubbelzinnig voor de triovorm. Onlangs in Amsterdam in club Pompoen verscheen de pianist met een driemanschap, met bassist Frans van der Hoeven en drummer Jo Krause. De gelukkigen die erbij waren kunnen er over meepraten: deze muziek kwam diep uit de tenen.