Chick Corea

Bewondering voor Elvis Presley

MAARTEN DE HAAN, oktober 1994
 
In 1994 bezocht Chick Corea Nederland, ter promotie van zijn nieuwe jazzlabel Stretch Records. In een uitgebreid interview sprak de toen 53-jarige jazzpianist over het werken met jongere muzikanten en over zijn plannen voor de toekomst.
 
Hoewel hij vaak als een ongrijpbaar muzikaal fenomeen wordt afgeschilderd, heeft de Amerikaanse jazzpianist Chick Corea zich de laatste jaren allerminst wispelturig gedragen. Zijn overstap naar het commerciële label GRP in de vroege jaren tachtig viel samen met de oprichting van de Chick Corea Elektric Band, een muzikale samenwerking met nieuwkomers als bassist John Patitucci en drummer Dave Weckl. Met hen vormde hij ook een trio, de Akoustic Band, dat voornamelijk standards speelde.
 
Hoe anders was het in de jaren daarvoor, toen Corea letterlijk en figuurlijk vele hoeden droeg. Nadat hij de Miles Davis band verlaten had en furore had gemaakt met de fusiongroep Return To Forever experimenteerde Corea met vorm en bezetting op platen als The Leprechaun, Tap Step en The Mad Hatter. Hij liet zich op de hoezen afbeelden als kabouter, gemutste tamboerier of de gekke hoedenmaker uit Alice in Wonderland. Ook speelde hij in duo’s met pianisten als Herbie Hancock, Friedrich Gulda en Victor Feldman en profileerde zich als klassiek componist.
 

Corea lijkt naar die tijd terug te keren en nieuwe paden te verkennen. Eerst was er de cd Play (1990), een briljante serie live-duetten met zanger Bobby McFerrin. Vervolgens componeerde hij voor John Patitucci’s Heart of the Bass een zestal miniaturen naar het voorbeeld van zijn eerdere Children’s Songs (1984). Vorig jaar was er zijn solo-cd Expressions en toerde hij met Patitucci, saxofonist Bob Berg en drummer Gary Novak door Europa met het project Timewarp, dat net als The Mad Hatter gebaseerd is op een fantasieverhaal.
 

In muziekzaal Vredenburg, waar hij juist heeft opgetreden met de Timewarp bezetting, mijmert Corea over een andere ambitie. Hij wil zijn eerste pianoconcert, dat hij tien jaar geleden schreef en slechts vijfmaal uitvoerde, opnemen. Voor de orkestleiding wil hij kiezen tussen Nicholaus Harnoncourt en Bobby McFerrin, “een buitengewoon serieus dirigent”. 
 
 Via het nieuwe platenlabel Stretch Records is hij daarnaast betrokken bij de soloprojecten van bevriende muzikanten. Zo verscheen onlangs het langverwachte solodebuut van Vinnie Colaiuta, een sessiemuzikant die tot dan toe slechts op platen van Frank Zappa als ‘Catholic Boy’ en ‘Steve Gadd’s Clone’ naar voren trad.
 
Jongere muzikanten
 
Mr. Corea, met Timewarp lijkt u terug te keren naar een oudere gewoonte om eerst te toeren met een nieuw project, alvorens  het op te nemen. 
 Zo lijkt het zich te ontwikkelen, ja. Er zijn vele manieren om tot een plaatopname te komen en het is interessant op welk moment besloten wordt de studio in te gaan. Wat muzikanten doen met nieuw materiaal als zij het voor het eerst spelen kan nooit meer gereproduceerd worden. En met muzikanten van hoog niveau zoals dit kwartet zou je er als producer dan ook in geïnteresseerd kunnen zijn dàt op band vast te leggen.  

 Bij de meeste opnames die ik in het verleden maakte heb ik geprobeerd het ‘live’ gevoel, het samenspel van de groep, te laten horen. Ik denk dat ik daar vaak succesvol in ben geweest. De laatste tijd heb ik echter ook belangstelling voor een andere manier van opnemen, namelijk één bedoeld voor platenluisteraars. Ik weet niet hoe ik het beter kan omschrijven, maar als ik Timewarp ga opnemen zal het anders klinken dan vanavond. 
 
Betekent dat dat het meer ‘elektrisch’ zal klinken? 
Het zal voornamelijk akoestisch zijn wat je hoort, maar ik zal waarschijnlijk elektrische of andersoortige orkestratie toevoegen. Ik wil proberen een plaat te maken die toegespitst is op het beluisteren met een koptelefoon en op de communicatie met één persoon. Dat is bepaald anders dan het spelen in een groep voor een publiek. 

Brengt het mede door u opgerichte platenlabel Stretch Records voor u zakelijke verplichtingen met zich mee? 
Nee. Mijn voorwaarde bij het aanvaarden van deze positie bij Stretch Records was dat ik geen enkele uitvoerende taak op mij zou hoeven te nemen. Evenmin zal ik er een bijzondere rol als producer vervullen. Ik heb geen enkele behoefte mijn aandacht van het musiceren zelf weg te leiden. Met het label wil ik vooral musici die ik goed vind en die zo nu en dan in mijn bands spelen en andere jonge talenten een gelegenheid geven om hun muziek op te nemen. 

U lijkt zich de laatste jaren op te werpen als leermeester van jongere musici… 
Dat lijkt misschien zo, maar mijn werkelijke motivatie is om zelf te leren. Want nieuwe ideeën inspireren mij. Jonge musici zitten natuurlijk zelf in een leerproces, zij stellen vragen, maar tegelijkertijd schèppen zij. Om met hen verbonden te zijn is een bron van inspiratie. Zij komen bij mij en prijzen me omdat ze van mijn muziek houden, omdat ik hen geïnspireerd heb, etcetera. Maar ondertussen vraag ik me af: ‘wat zijn zij eigenlijk aan het doen?’. 

Bent u ook geïnteresseerd in het in duo-vorm spelen met jonge pianisten, zoals u eerder met Herbie Hancock en Friedrich Gulda piano-duetten vormde? 
Grappig dat je dat vraagt, want ik ben momenteel een pianofestival aan het organiseren, waarbij een aantal jonge pianisten zullen optreden. Ze zullen met mij, met elkaar en alleen spelen, in verschillende combinaties. Het idee kwam voort uit het plezier dat ik had bij de eerste Münchense Klaviersommer van 1980. Daar ontmoette ik (klassieke pianisten -MdH) Nicholas Economou, Friedrich Gulda, Martha Argerich en veel muzikanten uit Oost-Europa. Ik ben dat samenzijn van pianisten gaan missen en besloot daarom iets soortgelijks te gaan doen, maar dan met jazzpianisten. Mogelijk geven we volgend jaar optredens in Frankrijk en Duitsland. 

Welke pianisten gaan deelnemen? 
De reden dat ik ze niet direct wil noemen is omdat de plannen nog in een vroeg stadium zijn en kunnen veranderen. Een pianist die echter vrijwel zeker mee zal doen is Billy Childs, die zowel en uitstekend componist is als een groot pianist.
 
Huwelijk
 
De Chick Corea Elektric Band werd door u opgericht uit onvrede met het steeds moeten opzetten van nieuwe projecten. De groep omschreef u destijds als ‘een huwelijk’. De laatste tijd onderneemt u echter steeds meer buitenechtelijke uitstapjes. 
Welnu, het leven bestaat uit balansen. Met dit kwartet spelen we meerdere concerten en de successen die je dan boekt, boek je samen. Het verrijkt de onderlinge band. Maar daarnaast is er de vrijheid en de noodzaak die ik voel om nieuwe dingen te ontdekken. Zo deed ik tussen 1978 en 1983 steeds weer een ander project. Ik speelde met Gary Burton, componeerde muziek voor een septet en herenigde de groep met drummer Roy Haynes en bassist Miroslav Vitous (eerder te horen op Now He Sings, Now He Sobs uit 1968 -MdH). Hoewel ik van ieder individueel project genoot, miste ik het soort familiegevoel dat je hebt bij een vaste band en besloot een bij meerdere projecten te gebruiken groep met jonge muzikanten op te richten. 

Voor de cd Paint The World stelde u een tweede Elektric Band samen, met bassist Jimmy Earl en gitarist Mike Miller. Krijgt die samenwerking nog een vervolg?
 Mogelijk, maar op dit moment wil ik onderzoeken, studeren en nieuwe projecten opzetten en niet in de eerste plaats de groep staande houden. Zodra ik Timewarp heb opgenomen wil ik mijn kamermuziek en piano solo verder ontwikkelen. Ik studeer op het moment orkestratieen luister veelnaar moderne componisten. Zoals Edgar Varèse, in wiens muziek ik mij al in de jaren zestig verdiepte. 
 
Schrijft u nog steeds zoveel materiaal dat andere muzikanten ongebruikte composities als het ware kunnen overnemen? 
Alle muziek die ik gecomponeerd heb werd geschreven voor mezelf. Het komt echter wel voor dat Gary Burton of iemand anders me vraagt om een stuk en ik er een uitzoek dat ik niet gebruik. Onlangs heb ik een boek samengesteld dat The Chick Corea Collection Book heet. Ik trok een paar uur uit en zocht alle composities in de hoeken dan mijn werkkamer bijeen die ik nooit gebruikte, maar die wel compleet waren. Deze fatsoeneerde ik zodat ze als een jazz thema of een geschreven stuk gespeeld konden worden. Het boek bevat zo’n tachtig stukken. De meste heb ik nooit zelf opgenomen, maar sommige zijn door anderen op plaat gezet.
 
Charlie Chaplin
 
Wordt u evenals Herbie Hancock beïnvloed door populaire muziek? Diens scratch-hit ‘Rockit’ inspireerde u destijds tot het opzetten van de Elektric Band. 
Het zoeken naar invloeden is voor mij een uiterst beperkte bezigheid, want je kijkt enkel naar oorzaak en gevolg. En dat is niet het werkelijke plezier of de kracht van muziek maken. Je kunt invloeden niet echt traceren, en wat schiet je ermee op als het lukt? Als je naar muziek luistert  kun je geïnspireerd raken en iets leren, maar zodra je gaat scheppen hoeft dat daar niet noodzakelijk iets mee te maken te hebben.
Uiteindelijk gaat het om de creatieve stap, om de beslissingen die je neemt. Ga je piano of elektrisch keyboard spelen, ga je een trompet of een stem gebruiken ga je hard of zacht spelen? Wil je het publiek shockeren of juist ontspannen? Het gaat mij om het creatieve moment waarop je dat vaststelt, zoals een kind puur uit zichzelf een tekening maakt.

Kinderlijke onbevangenheid was ook het sleutelwoord bij de optredens met Bobby McFerrin die te horen zijn op de cd Play. Tijdens die zes concerten werd door u beiden tamelijk ironisch omgesprongen met het jazzidioom. Hoort volgens u, om met Frank Zappa te spreken, humor thuis in de muziek? 
Uiteraard. Het is een groot genoegen om mensen aan het lachen te maken, zeker als het met puur muzikale middelen gebeurt. Volgens mij is iedere emotie geoorloofd in muziek. En het maken van een muziekstuk zie ik als het vertellen van een verhaal. De reden dat ik zo van muziek houd is omdat het de luisteraar veel ruimte laat om zijn eigen fantasie te gebruiken. Humor is een van de middelen om zo’n wisselwerking te bewerkstelligen. Veel van mijn favoriete artiesten zijn dan ook komedianten: Charlie Chaplin, Robin Williams en Steve Martin. 
 
De wisselwerking met het publiek is een centraal element in uw muzikantschap. U verliet ooit de free jazz groep Circle om het Rockgeoriënteerde Return To Forever  op te richten, omdat dat aspect onvoldoende aandacht kreeg. 
Een van de dingen die ik altijd heb willen rechtzetten over Circle is dat hoe ik me destijds uitdrukte misschien de indruk gaf dat ik ontevreden was over die muziek. Dat is absoluut onwaar. Zoals ik al zei: het leven bestaat uit balansen. En de reden dat ik het belang van communicatie in die tijd zo benadrukte was omdat ik dat concept toen -in 1968 of 1969- zo aan het ontdekken was. 
Ik was opgegroeid met het idee dat het zo fijn was om op de piano te pingelen, maar ik merkte niet op dat wat ik aan het doen was invloed op anderen had. Wat me ging interesseren in popmuziek was dat de hele bestaansgrond van popartiesten er juist op bleek te berusten dat ze het publiek wisten te raken. Zo begon ik de grote entertainers te bewonderen en na te volgen: Charlie Chaplin, Fred Astaire, Louis Armstrong, Duke Ellington. De grote acteurs en actrices van het witte doek… 
 
Maar geen specifieke popmuzikanten? 
Ik maakte de opkomst van de Beatles en Elvis Presley niet echt bewust mee, ik concentreerde me destijds op Bartók en John Coltrane. Maar later kreeg ik zelfs enige bewondering voor Elvis Presley! Als entertainer, wel te verstaan. Maar bij Stevie Wonder dacht ik: “Dit is een zanger, of een entertainer, die communiceert met de massa’s van deze planeet, maar wiens muzikale vermogens tegelijkertijd buitengewoon groot zijn.” 
Het is daarna altijd een droom van mij geweest om verfijnde muziek te maken die veel mensen aanspreekt. Ik ben daar natuurlijk niet zo goed in geslaagd als Stevie, maar het blijft een droom die ik heb.